Joegoslavië
bestond ten tijde van het regime van Tito uit de deelrepublieken Servië,
Kroatië, Montenegro, Bosnië-Herzegovina, Macedonië en
Slovenië. In Servië lagen verder nog twee autonome provincies:
Kosovo en Vojvodina. Joegoslavië was hierdoor een lappendeken van
bevolkingsgroepen, met ieder hun eigen religie en cultuur. In 1974 werd
de emancipatie van de deelrepublieken bekrachtigd in de grondwet. Servië
wilde, als sterkste natie, in de jaren tachtig de Joegoslavische eenheidsstaat
behouden als garantie voor het behoud van de politieke macht en de culturele
identiteit. Dit leidde tot een onvermijdelijke botsing met Slovenië
en Kroatië, die juist naar meer onafhankelijkheid streefden. Op
25 juni 1991 verklaarden Kroatië en buurrepubliek Slovenië
zich onafhankelijk van Joegoslavië. Het Joegoslavische federale
leger (JNA) intervenieerde onmiddellijk. Om Slovenië werd weinig
gevochten, vooral doordat er dankzij de homogene bevolkingssamenstelling
nauwelijks problemen met grote minderheidsgroepen waren. De kortstondige
oorlog eindigde na bemiddeling van de Europese Gemeenschap (EG de voorloper
van de EU) op 7 juli in een staakt-het-vuren, het akkoord van Brioni.
De situatie in Kroatië was vanwege de grote Servische minderheid
een stuk complexer. Daar ontstonden dan ook hevige gevechten. Op 2 januari
1992 werd tot een wapenstilstand besloten. Twee weken later erkende
de EG Slovenië en Kroatië als onafhankelijke staten. De Servische
president Milosevic zette ondertussen Serviërs in de deelrepubliek
Bosnië met succes tegen de andere bevolkingsgroepen op. De Bosnische
Serviërs riepen op 5 januari 1992 zelfs een eigen republiek uit.
Een burgeroorlog in Bosnië-Herzegovina was hiermee onvermijdelijk
geworden.
Op
21 februari 1992 keurde de Veiligheidsraad de vorming van de veertienduizend
man sterke vredesmacht UNPROFOR goed. Deze moest in Kroatië de
wankele wapenstilstand tussen Serviërs en Kroaten controleren.
Na de verslechterende situatie in Bosnië-Herzegovina besloot de
Veiligheidsraad het mandaat van UNPROFOR in aangepaste vorm uit te breiden
naar deze nieuwe brandhaard. Humanitaire hulpverlening aan de bevolking,
waaronder het beschermen van voedselkonvooien, werd hier de hoofdtaak.
In
1993 werden Moslim-enclaves in Servisch gebied die onder de voet dreigden
te worden gelopen, door de Veiligheidsraad onder bescherming van de
VN gesteld, de zogenoemde safe areas. Op 4 juni van dat jaar kreeg UNPROFOR
ruimere bevoegdheden om deze veilige gebieden te beschermen. Voor het
eerst mocht ze geweld gebruiken bij het uitvoeren van haar mandaat.
Later mochten ook NAVO-vliegtuigen het personeel beschermen met behulp
van luchtsteun.
Deze
"peacekeeping" missie eindigde in 1995. Nadat Bosnische Serviërs
een bloedige beschieting uitvoerden op de markt van Sarajevo, strafte
de NAVO hen af met een militaire actie. Dit twee weken durende grond-
en luchtoffensief, operatie Deliberate Force genaamd, bracht de strijdende
partijen uiteindelijk naar de onderhandelingstafel in Dayton. De daar
gesloten akkoorden vormen de basis van de huidige situatie in Bosnië-Herzegovina
en leidden tot nieuwe internationale vredesmachten zoals de Interim
Force (IFOR), van eind 1995 tot eind 1996, en de Stabilization Force
(SFOR), die sinds eind 1996 in Bosnië-Herzegovina ontplooid is.
Nederlandse
bijdrage
De Nederlandse militaire bijdrage voor UNPROFOR bestond uit de volgende
onderdelen en eenheden, waarbij het personeel doorgaans om de zes maanden
werd afgelost:
Hoofdkwartier
UNPROFOR
Het aantal Nederlandse militairen in de staf en stafcompagnie van UNPROFOR
- vanaf 1 april 1995 UNPF - steeg van 18 militairen in november 1992
tot 60 militairen in augustus 1994 en daalde daarna naar 49. Naast administratief
en ondersteunend personeel was er bij het hoofdkwartier ook een groep
van tien marechaussees ingedeeld die deel uitmaakten van het zogenoemde
MP-peloton. Zij hielden zich vooral met verkeerscontroles bezig. Het
aantal marechaussees varieerde door de jaren heen afhankelijk van het
aantal uitgezonden Nederlandse militairen in het gebied.
Hoofdkwartier
BH-command
Een van de onderdelen van UNPROFOR was het commando voor Bosnië-Herzegovina
met hoofdkwartier in Sarajevo. Bij het hoofdkwartier van dit zogenoemde
"BH-command" werkten zo'n vijftig tot zestig Nederlandse militairen.
In november 1992 werd een transportpeloton opgericht, waarvoor ons land
tien chauffeurs leverde.
Hoofdkwartier
Sector North-East
Per 1 maart 1994 werd het gebied van BH-command opgedeeld in drie sectoren.
Ons land droeg aan het hoofdkwartier van de Sector North-East in de
plaats Tuzla bij met een tiental militairen in verschillende functies.
Contingentscommando
UNPROFOR/UNPF
In september 1992 besloot Defensie een contingentscommandant te benoemen
voor de behartiging van de Nederlandse belangen en die van alle militairen
die zich in het gebied. De functie werd uitgeoefend door een opperofficier
(kolonel of generaal) van de VN-vredesmacht.
1(NL)
VN Verbindingsbataljon
Op 28 februari 1992 besloot de regering tot de oprichting van het 1(NL)
VN Verbindingsbataljon. Dit zorgde binnen de VN-vredesmacht voor de
verbindingen van de deelnemende eenheden. Bij ieder van de infanteriebataljons,
het geniebataljon en de sectorhoofdkwartieren werden Nederlandse communicatiecentra
geplaatst van steeds elf militairen. Het verbindingsbataljon had een
overkoepelend hersteldetachement, een bevoorradingsgroep en een klein
marechausseedetachement binnen de gelederen. De uitbreiding van het
UNPROFOR-gebied met Bosnië-Herzegovina betekende dat ook de in
deze regio ontplooide infanteriebataljons een Nederlandse verbindingscel
kregen. Doordat de VN in maart 1994 begonnen met de invoering van nieuwe
satellietcommunicatieapparatuur, werd het Verbindingsbataljon gefaseerd
teruggetrokken en op 1 september formeel opgeheven.
1(NL/BE)
VN Transportbataljon en 1(NL/BE) VN Logistiek en Transportbataljon
Eind 1992 besloten de Nederlandse en Belgische regering om een gezamenlijke
transporteenheid naar Bosnië te sturen. Deze zou de ruggengraat
van de humanitaire hulpverlening van UNPROFOR moeten worden. Het 1 (NL/BE)
VN Transportbataljon, bestond aanvankelijk uit twee Nederlandse transportcompagnieën
van elk 170 man, één Belgische transportcompagnie van
100 man en een Nederlandse staf, staf- en verzorgingscompagnie van in
totaal 120 militairen. Het bataljon werd in de Bosnisch-Kroatische plaatsen
Busovaca en Santici gestationeerd. De militairen verrichten hun werkzaamheden
onder zeer moeilijke omstandigheden, omdat de strijdende partijen herhaaldelijk
het vuur openenden op de vrachtwagens. Ook werd de kampementen, die
zich in de frontlinie van de strijd tussen de Bosnische Kroaten en moslims
bevonden, met een zekere regelmatig getroffen door afzwaaiers. Dit was
vooral tussen april 1993 en februari 1994 het geval. Eind 1994 rechtvaardigde
een geringere transportbehoefte de terugtrekking van één
Nederlandse compagnie. Het resterende deel van het bataljon fuseerde
met het Support Command in Lukavac tot een nieuw 1(NL/BE) VN Logistiek
en Transportbataljon. Deze reorganisatie kreeg eind maart 1995 haar
beslag.
1(NL)
VN Infanteriebataljon (Dutchbat)
In september 1993 bood de Nederlandse regering de Verenigde Naties aan
om gedurende anderhalf jaar een luchtmobiel infanteriebataljon te leveren
plus een logistieke component. Daarbij ging het om "Dutchbat"
met bijbehorend "Support Command", een totaal van bijna 1200
militairen. Ondanks een Nederlandse voorkeur voor inzet in Centraal-Bosnië,
besloot de leiding van BH-command dat Dutchbat in Srebrenica een Canadese
compagnie zou aflossen. De kern van het bataljon, dat begin 1994 in
Bosnië arriveerde, bestond uit 550 militairen van de Luchtmobiele
Brigade. Van de Nederlandse afvaardiging maakten verder onder meer nog
een detachement van de Explosieven Opruimingsdienst, een verkenningspeloton
van het Korps Commandotroepen en vier Bo-105CB helikopters van de luchtmacht
deel uit. De eerste groep van 155 militairen trok op 1 maart 1994 Srebrenica
binnen. (Één compagnie van de opvolgende bataljons zou
overigens steeds in Simin Han bij Tuzla worden gelegerd.) Het helikopterdetachement
kreeg van de Bosnische Serviërs geen toestemming naar Srebrenica
te vliegen en streek in Lukavac, waar ook het Support Command was gevestigd,
neer. Omdat het zijn beoogde missie door de Bosnisch-Servische weigering
niet kon vervullen, werd het in september 1994 teruggetrokken. Gedurende
de tijd dat Nederlandse militairen in Srebrenica waren gelegerd, dwarsboomden
de Bosnische Serviërs de transporten van en naar de enclave met
een zekere regelmaat. Ten tijde van Dutchbat III, dat op 18 januari
1995 de taken in Srebrenica overnam, vonden onder meer NAVO-bombardementen
op de Bosnisch-Servische hoofdstad Pale plaats. In reactie hierop sloten
de Bosnische Serviërs op 26 mei 1995 Srebrenica hermetisch af van
de buitenwereld. Ook namen ze op 3 juli in het zuiden van de enclave
de Nederlandse observatiepost Echo in. Op 6 juli vormde het zuiden opnieuw
het doelwit van een offensief. In eerste instantie dacht UNPROFOR dat
de aanval beperkt was, maar binnen enkele dagen liepen de Bosnische
Serviërs het hele gebied onder de voet. Op de avond van 11 juli
1995 was de val van Srebrenica een feit. Er volgde een slachtpartij
op een schaal die Europa sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer had
gezien. De vrouwen en kinderen werden overgebracht naar Moslim-gebied
in Centraal-Bosnië, maar de Bosnische Serviërs voerden de
moslimmannen van weerbare leeftijd af en brachten hen allen om het leven.
Dutchbat verliet de enclave op 21 juli 1995 en keerden via Zagreb naar
Nederland terug.
De
Nederlandse regering besloot op 7 juni 1995 tot deelname aan de Frans-Britse
Rapid Reaction Force (RRF) met een versterkte mortiercompagnie van het
Korps Mariniers, een mortieropsporingsradareenheid van de Koninklijke
Landmacht en zes staffunctionarissen. In totaal ging het om 186 militairen).
De RRF werd ontplooid op de berg Igman bij Sarajevo en nam van daar
af deel aan operatie Deliberate Force. Deze operatie, waaraan met name
de NAVO-luchtmachten - ook Nederlandse F-16's - meededen, was een reactie
op een bloedige beschieting van de markt in Sarajevo door de Bosnische
Serviërs en duurde twee weken.
Afgezien
van de hierboven genoemde onderdelen en eenheden die deel uitmaakten
van UNPROFOR was er nog meer Nederlandse betrokkenheid. Zo werden waarnemers
op individuele basis uitgezonden als zogenoemde UNMO (United Nations
Military Observer). Deze opereerden in Kroatië, Bosnië en
Macedonië, vaak onder zeer moeilijke omstandigheden. Een groot
aantal UNMOs kreeg van de Bosnisch Serviërs bijvoorbeeld huisarrest
of werd zelfs gegijzeld.
De
logistieke ondersteuning van UNPROFOR gebeurde vanuit Split en Zagreb
in Kroatië. Met het oog hierop plaatste ons land eenheden in beide
steden.
Tot
slot zij nog vermeld dat het vliegveld van de Bosnische stad Tuzla in
1994-1995 enige tijd door Nederlands luchtmachtpersoneel in bedrijf
werd gehouden ten behoeve van UNPROFOR en dat de Koninklijke Marechaussee
op 29 november 1993 tien onbewapende personeelsleden naar voormalig-Joegoslavië
uitzond in het kader van United Nations Civilian Police - UNCIVPOL.
Dit onderdeel van UNPROFOR controleerde de lokale politieagenten die
vaak partijdig waren. UNCIVPOL werd in februari 1996 opgevolgd door
de United Nations International Police Task Force (UNIPTF).
Bij
de inzet in het kader van UNPROFOR kwamen zeven Nederlandse militairen
om het leven, daarnaast viel een aantal gewonden.